Luister eens...

Het jaar 1522 - Wesel

  • Leestijd 4 minuten
  • 11 x bekeken

Ties had pijnlijke voeten, maar bleef toch staan. Als hij nu opgaf was het lange wachten voor niets geweest. Achter en naast hem werd geduwd en getrokken. Iedereen wilde de intocht zien van hertog Johann III van Kleef, die in Wesel gehuldigd zou worden als hun nieuwe landsheer.

Start Het jaar 1522 - Wesel

Eindelijk begonnen mensen te roepen. ‘Ik hoor hoornblazers!’ ‘Daar komen ze!’ Vanuit de richting van Rees kwam een bonte stoet. Voorop hoornblazers en soldaten, gevolgd door stadsedelen en magistraten. Daarna, hoog te paard, de hertog. Vriendelijk knikkend en wuivend naar het juichende publiek. Zijn vrouw Maria reed links van hem, terwijl aan zijn rechterhand een man reed, wiens kostbare kleding schitterde in de zon. ‘Wie is die heer?’ vroeg Ties aan zijn buurman. ‘Dat is Heinrich Bars Olisleger. De rijkste man van Wesel. Hij woont in het hertogelijk paleis.’ ‘Van welke adel is hij?’ ‘Van geen enkele. Olisleger is als jongeman naar het buitenland gegaan, en heeft als Hanzekoopman grof geld verdiend in Vlaanderen en Engeland. Hij kwam steenrijk in Wesel terug.’

Stapvoets schreed de hertog voorbij. Aan zijn paard was een lang touw bevestigd, waaraan wel vijftig mensen zich vasthielden en zich lieten meevoeren. ‘Waarom is dat? Wat doen ze?’ vroeg Ties. ‘Dat zijn verbannen burgers. Die hebben de hertog opgewacht bij Harssum, aan de stadsgrens, en hem om genade gevraagd. Dat krijgen ze straks, bij het paleis.’ ‘Hé, hertog Johann!’ riep iemand uit het publiek, ‘Neem mij ook mee, ik ben uw broer!’ Omstanders schoten in de lach. ‘Wie niet?’ gaf iemand antwoord. Er werd nog harder gelachen. ‘Pak dan het touw!’ schreeuwde een ander. ‘Ik wil geen genade,’ klonk het antwoord, ‘Ik wil geld! Ik ben zijn broer!’

Ties keek zijn buurman vragend aan. ‘Dat is een grap,’ grijnsde deze. ‘Hertog Johann II, de vader van deze hertog, wordt de kindermaker genoemd. Hij had meer dan zestig buitenechtelijke kinderen.’ ‘Zestig? Tjonge! De adel kan alles maken.’ ‘Niet alleen de adel. Die Olisleger heeft in woede iemand doodgeslagen voor hij naar het buitenland vertrok. Maar hij kwam schatrijk terug, dus alles werd hem vergeven. Als je geld hebt kom je overal mee weg.’