Luister eens...

Het jaar 1515 - Rees

  • Leestijd 4 minuten
  • 36 x bekeken

Vanaf de Rijnkade was de rivier niet meer zichtbaar, zoveel schepen lagen aangemeerd. Naast de gebruikelijke handelsschepen lagen er ook veel vaartuigen vol bouwmateriaal. Er werd druk gewerkt aan de vestingwerken rond Rees.

Start Het jaar 1515 - Rees

‘Mosselen, lekkere mosselen! Vers uit de Rijn!’ schalde een vrouwenstem. Tegen de stadsmuur, in de luwte van de oude, ronde toltoren, zat een vrouw op een houtblok haar waren aan te prijzen. Nieuwsgierig kwam Ties dichterbij. Mosselen, die kende hij enkel van zijn verblijf aan de kust. ‘Uit de Rijn? Echt?’ vroeg hij aan de vrouw. ‘Ja. Uit de zijarmen van de rivier, rondom Rees. Zoetwatermosselen. Jij komt niet van hier?’ ‘Ik ben van overal en nergens. Ik zwerf als kunstenmaker langs de rivieren. Ik hou van de Hanzesteden en hun drukte.’ ‘Ach ja, de Hanze. Dat brengt leven en geld in het laatje.’ Haar blik bleef rusten op iets achter Ties. Hij keek om.

Over de kade liep een jongen, met een ernstige blik. Te ernstig voor zijn leeftijd. ‘Henri!’ De vrouw wenkte hem. Hij kwam meteen op haar af. ‘Speelman, dit is mijn buurjongen Henri. Hij is heel slim en leest al dikke boeken. Hij gaat het nog ver schoppen in de Hanzehandel.’ ‘Ik wil niet in de handel, Dieke.’ ‘Hoe oud ben je?’ vroeg Ties. ‘Dertien, meneer.’ ‘En waarom hou je niet van de Hanze?’ ‘Dat heb ik niet gezegd. Ik denk dat de Hanze de mensen goed doet. Ik interesseer me voor het humanisme. Dat vindt dat ieder mens recht heeft op vrijheid en geluk. Met universele waarden zoals vrijheid, mondigheid en verantwoordelijkheid, kan ieder mens zijn leven zin geven. En dat past goed bij de Hanze, en veel minder bij hoe de adel de burgers altijd heeft onderdrukt.’

Ties was onder de indruk. ‘Dat zijn hele wijze woorden. Naar welke school ga je?’ ‘Volgend jaar ga ik studeren in Keulen, meneer. In elk geval filosofie en theologie. Ik wil mensen leren voor zichzelf op te komen, hun leven waardevol te maken.’ ‘Hoe heet je ook weer?’ ‘Henri. Maar ik noem me Henricus Uranius.’ De mosselvrouw knipoogde. ‘Onthoud die naam!’