Luister eens...

Het jaar 1505 - Zeddam

  • Leestijd 4 minuten
  • 34 x bekeken

Net over het kruispunt stond een met korenschoven beladen wagen. Ties naderde aan de achterkant. Vanaf de andere kant klonk een boze stem. Nieuwsgierig liep Ties om de wagen heen. Bij de dissel stonden een koppige ezel en een man, die verwoed aan het tuig trok.

Start Het jaar 1505 - Zeddam

‘Hulp nodig?’ vroeg Ties. ‘Ach, dat stomme beest. Hij schrok zo van een fazant, dat hij geen stap meer wil zetten.’ ‘Moet je nog ver?’ ‘Nee, nog een klein stukje, tot aan de splitsing. Daar staat de dwangmolen.’ ‘Wat is een dwangmolen?’ vroeg Ties. ‘Dat is een molen waar ik verplicht mijn graan moet laten malen. En daar moet ik extra voor betalen.’ ‘Want?’ ‘Dat zijn de wetten van dit minilandje. Ja, echt. Berg is een eigen staatje, Graaf Oswald is Rijksgraaf. Dit land is neutraal, niet van de Habsburgers, niet van de Bourgondiërs en niet van Gelre. En dus hebben ze hier eigen wetten. Onze graven hebben het recht op aarde, wind en water. Als ik mijn koren verbouw, betaal ik belasting op gebruik van de aarde. En als ik het laat malen, betaal ik belasting op het gebruik van de wind. Zo vangt de graaf twee keer van mijn landopbrengst.’

‘Je vertelt het luchtig. Ergert het je niet?’ ‘Och, Het is de adel hè? Of ik nou hier woon, in Gelre, of in Emmerik. Of je nou linksom of rechtsom gaat, de adel plukt je toch wel. Daar kunnen we weinig tegen doen.’ Het gesprek had de ezel ontspannen. Hij zette voorzichtig een paar stappen. Liefdevol klopte de boer het beest in zijn nek. ‘Waar ga jij heen, nu?’ vroeg hij aan Ties. ‘Ik ga een slaapplek zoeken voor de nacht.’ ‘Ah. Herbergen genoeg hier. Als je maar niet naar die van Lyse Poer gaat. Dat mens wordt al heel goed onderhouden door de zoon van de graaf, van wie ze drie koters heeft. Ondanks dat hij volgende maand gaat trouwen met een ander. Nee, die Lyse, die is al lang niet meer één van ons. Zij leeft van onze belastingcenten. Iedere keer als ik mijn koren moet laten malen, denk ik daaraan.