Luister eens...

Het jaar 1496 - Neuss

  • Leestijd 4 minuten
  • 34 x bekeken

De laatste noten van het laatste couplet stierven weg over de kade. Voldaan zag Ties dat zijn lied het gewenste effect had gehad. Een aantal toeschouwers veegden tranen van hun wangen of hadden rode ogen.

Start Het jaar 1496 - Neuss

Ties had meerdere liederen gezongen, maar de laatste, over het beleg van Neuss van twintig jaar eerder, had zijn publiek het meest geraakt. Geen wonder. Staande bij de smalle Trankpoort, met zicht op de nog altijd gehavende stadsmuur en met de Quirinuskerk hoog boven de muur oprijzend, kwam het verhaal extra binnen. Over de twintigduizend soldaten die aan de poorten van de stad hadden gestaan, verwachtend dat Neuss zich bij die aanblik snel zou overgeven. Maar nee. Zij had zich verdedigd met iedere man, iedere vrouw en ieder kind. Zelfs toen er al weken niets meer te eten was, had men de moed niet verloren. Er werd een emotionele processie gehouden waarin de heilige Quirinus werd aangeroepen, terwijl de stad letterlijk wankelde. En toen het wonder! Meteen daarop vloog over de muur, afgeschoten door vrienden, een holle kanonskogel. Hierin zat het goede bericht dat de stad snel bevrijd zou worden. Gejuich was opgestegen, de honger was even vergeten. En de vijand, die het juichen hoorde, had eindelijk begrepen dat deze stad bevolkt werd door krachtige, trotse mensen die onverslaanbaar waren.

Ties maakte een buiging en stak zijn houten nap uitnodigend naar voren. Een enkeling wierp er een munt in, maar de meesten spoedden zich weg. Ties snapte het niet. De mensen hadden genoten, toch? Waarom dan niet betalen? Een wat oudere vrouw liep op hem af. ‘Weet je speelman, wij waren erbij. Wij hebben het meegemaakt. Wij hebben vogels gegeten, en boomschors. Tot er geen bomen meer waren en de vogels wegbleven. Toen aten we gras. Op onze doden kwamen ratten af. We aten de ratten, en werden ziek. Iedereen heeft familie verloren. Sommigen veel, anderen alles. Zing je lied van Neuss in andere steden, maar niet hier, alsof je het leed begrijpt.’ Ties slikte. Hij wist niets te zeggen. ‘Het enige goede,’ zei de vrouw, ‘wat dat beleg ons gebracht heeft, zijn de Hanzerechten die we nadien kregen. Als dank voor de standvastigheid.’