Luister eens...

Het jaar 1495 - Hamborn

  • Leestijd 4 minuten
  • 47 x bekeken

Hij zag meteen dat er iets niet goed was. De Ossenwagen stond scheef op de weg, en de beide ossen stonden rustig te grazen in het gras naast de weg. Ties versnelde zijn pas en bereikte de wagen hijgend. Tegen een wiel geleund zat een koopman. Hij had een hoofdwond en een scheur in zijn jas.

Start Het jaar 1495 - Hamborn

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Ties. ‘Is je wagen kapot, of̀…?’ ‘Ik ben overvallen. De smeerlappen. Ze wisten het.’ Ties bekeek de wond. In het haar plakte vers bloed. ‘Wàt wisten ze?’ ‘Ze wisten dat ik om zou rijden. In Merxloe heerst de pest. Er stond een zwart bordje naast de weg. Het pestbord. Teken van besmet gebied.’ ‘Maar ik kom zojuist van diezelfde kant,’ zei Ties verbaasd, ‘en ik heb geen bord gezien. Je bent misleid, koopman.’ De man gromde iets. Ties keek in de kar. Die was helemaal leeg. ‘Je hele lading is geroofd,’ zei hij somber. ‘Nee, ik had geen koopwaren bij me. Dat is het hem juist. Als een koopman een lege wagen heeft, gaat hij óf heel veel kopen, of heeft hij veel verkocht. In beide gevallen heeft hij een goed gevulde beurs.’

‘En die hebben ze dus gestolen,’ begreep Ties. ‘Ja. En de beurs was extra goed gevuld, omdat ik op weg ben naar de Keulse Drittelsdag. Ik zou in Düsseldorf mijn wagen stallen bij vrienden, en hem op de terugweg vol weer meenemen.’ ‘Wat is een Drittelsdag?’ ‘Een Hanzedag. Die vergaderingen waren altijd jaarlijks in Lübeck. Maar dat is te ver weg voor de meesten. Het gebied is enorm groot. Om alle leden te kunnen bereiken werd het in drieën verdeeld, in Drittel. Op drie locaties kwamen Hanzedagen. Nu is Keulen voor het eerst in zeventien jaar weer aan de beurt. Daar wilde ik natuurlijk bij zijn!’ De man greep naar een zakje dat aan een koord om zijn nek hing. ‘Weet je wat zuur is? Ik ging goed voorbereid op reis. Met gember en kaneel in dit zakje. Gekregen van de apotheker, het helpt tegen de pest. En toch nam ik het zekere voor het onzekere en besloot om te rijden.’ Ties knikte. ‘En het hielp niet tegen rovers.’